‘’Mijn vader kwam op die zondagmorgen onverwachts (te) vroeg
uit de kerk. De mis kon nog niet afgelopen zijn. Hij vertelde dat de dijken
doorgebroken waren. Dat waren ze in de kerk komen zeggen en de pastoor had alle
mannen opgeroepen om te gaan helpen om het water tegen te houden.
Mijn vader
pakte zijn fiets en reed hoogstwaarschijnlijk naar de Rummersdijkpolder waar
het water bij de doorsteek naar Ward van Esbroeck richting Hengstdijk
stroomde.’’
‘’Op die zondagmorgen wisten we het nog niet, maar later
bleek dat op Kampen, bij mijn oom, Noomke Mel die getrouwd was met een zus van
mijn moeder, alle schapen verdronken waren.
Ook de honden waren verdronken, en
heel vreemd: die waren niet aangeslagen toen het water kwam. Het huis van mijn
oom en tante stond op de dijk, hoog genoeg om niet onder te lopen, maar de
schaapsstal lag veel lager en was reddeloos verloren.’’
‘’In de daaropvolgende weken weet ik nog goed dat ik steeds
brood naar Kampen naar mijn tante moest brengen. Brood dat mijn moeder zelf
bakte.’’
De verdronken honden van Noomke Mel
Wonend aan de ‘’jèrden euvel’’ aan de ‘goede’ kant van de
dijk woonde het gezin van Prudent Kerckhaert. Sjef en Frans, de twee jongste
zonen vertellen:
‘’Het stormde enorm. We gingen te voet met ons moeder naar de
kerk in Hengstdijk. Op de dijk kon je niet lopen, zo hard waaide het, maar van
ons thuis naar de Koningsdijk was een pad waardoor je een stuk kon afsnijden.
Door de padjes bij van Weesemael en de wei van Guust de Bakker kwamen we bij de
kerk aan. Ons vader bleef thuis. In de kerk hoorden we dat de dijk doorgebroken
was. Toen we thuiskwamen hoorden we dat Alois de Maat die in het Hoogland
woonde, aan de andere kant van de Polderdijk aan de Langeweg naar ons toe was
gekomen om te zeggen dat heel de Hooglandpolder onder water stond en dus ook
zijn boerderij.
Wij bleven gespaard voor het water, maar omdat de situatie
gevaarlijk was werden alle beesten met de vrachtwagen van veevervoerder van
Esbroeck uit Hulst naar de boerderij van Nonkel Cyriel Verschueren op ’t
Pauwhof gebracht. Daar hebben we toen wel een week gelogeerd om te helpen het
vee te verzorgen en te melken.
Een andere oom van ons, Nonkel Leo van Esbroeck die stond wel
onder water. Die woonde in de Rummersdijkpolder. Met een rubberboot hebben ze
iedereen daar uit huis gehaald. Omdat die iedere keer over een doornen heg
moest worden getrokken waren ze bang dat er een lek in zou ontstaan. Daarom
haalden ze iedereen een voor een uit het huis om dat te voorkomen.’’
‘’De koeien van Nonkel Leo stonden vastgebonden en waren niet
meer te redden, evenals de varkens. De paarden konden de kop boven water houden
en konden daardoor in de loop van de dag toen het water iets gezakt was worden
gered. ‘’
‘’Een buitengewoon trieste gebeurtenis was de verdrinking van
de zoon van de familie Vossaert. Die familie woonde vlak bij waar nu het gemaal
van Kampen is, en waar de dijk door brak. Het was een gehandicapte jongen die
door de harde storm en de kracht van het water van de dijk is gewaaid en
meegevoerd met de stroom. Enkele dagen na de ramp werd de jongen gevonden,
hangend in de prikkeldraad van een weiland. De overige familieleden bleven voor
verdrinking gespaard en vluchtten naar de boerderij van Alois Serrarens.’’
Sjef en Frans vertellen overigens een opvallend detail waar
het om dijkdoorbraken gaat:
‘’De dijk was overal doorgebroken op de plekken waar een boerderij
was. Dat kwam omdat daar het water het meeste vat kreeg om de klei weg te
spoelen. Omdat de bewoners van de boerderij de gewoonte hadden elke dag een
paar keer naar ‘’de zee’’ te gaan kijken zorgde dat ervoor dat er een
looppaadje ontstond waar nauwelijks of geen gras groeide. Dat maakte de dijken
juist op die plekken kwetsbaar als het water er vat op kreeg.’’
De boerderij van de Maat in de Hooglandpolder vlak bij de ‘’jèrden euvel’’
Wat overbleef van de boerderij van Vossaert
Op de grens van Ossenisse en Hengstdijk, aan de rand van de
Hooglandpolder, woonde het gezin van Alois Serrarens. Hoewel eigenlijk geen
Hengstdijkenaar laten we graag Ko, de zoon van Alois, aan het woord. Hij is
misschien wel een van degenen die de ramp het dichtst van nabij heeft
meegemaakt.
‘’Om 3 uur ’s-nachts werden we wakker gemaakt door Joos
Vossaert. Hij woonde met zijn gezin in de Ser Arendspolder, vlak bij ons, precies
op de plek waar de Westerscheldedijk doorbrak. Met grote kracht stroomde de polder
in een mum van tijd vol. Hij vluchtte met zijn gezin de Westdijk op.’’
‘’Moeder had haar gehandicapte zoon in haar armen, maar toen
ze op de dijk liep richting ons huis werd ze door de harde wind en het woeste
water overspoeld. Plotseling was het kind in het kolkende water en de pikdonkere
nacht verdwenen. Reddeloos en totaal overstuur kwam het gezin bij ons thuis
aan. Een paar dagen later werd het kind hangend aan het prikkeldraad
teruggevonden. De schuur van Vossaert was totaal in de kolkende golven verdwenen
en van het huis bleef ook nog slechts een ruïne over.’’
‘’Moeder Vossaert uit Ossenisse die haar baby in veiligheid had gebracht en tot haar borst door het water moest waden zag haar kind op een noodlottig ogenblik uit haar armen weggerukt. De kleine verdronk voor haar ogen.’’
‘’In Ossenisse is een slachtoffer te betreuren, de 12-jarige zoon van de familie Vossaert. Zijn moeder wilde deze hulpbehoevende jongen redden, doch zij struikelde. Het lichaam van de knaap is nog niet gevonden.’’
Ko vertelt verder:
‘’Bij ons stond er op dat moment nog geen water, maar dat
duurde niet zo lang meer.
Tegen de ochtend stond het al een meter hoog in huis en in de
schuur. In die schuur woonden twee knechten. Mijn vader gaf opdracht om een kar
met paarden in te spannen om het hele gezin te evacueren. Dat was rond een uur
of 10 in de ochtend. Het waaide nog steeds verschrikkelijk hard. We zijn met
z’n allen toen op die hoge kar vertrokken. We konden alleen nog richting
Kampen. Naar rechts over de Westdijk naar Ossenisse was onmogelijk geworden
door gaten in die dijk en de Rummmersdijkpolder was intussen ook volgelopen.
Over de dijk, over een hoger gelegen rijpad tussen de smalle strook van de Ser
Arendspolder en de Rummersdijkpolder met links en rechts water zijn we op
Kampen aangekomen.
‘’Ik zie nog steeds bij het wegrijden toen ik naar rechts
keek die verdronken koeien en dat paard van Vossaert op de Westdijk liggen. Bij
ons is geen vee verdronken. Het is allemaal mee naar Kampen gegaan en
ondergebracht bij een paar boeren die voor overstroming gespaard waren
gebleven. En wij, de kinderen werden ondergebracht bij een oom en tante in
Kloosterzande. Daar hebben we 6 weken verbleven en zijn daar zelfs nog naar
school gegaan.’’
Ko geeft een duidelijk beeld van hoe de overstroming dicht
bij Hengstdijk is verlopen:
‘’De dijk brak door vlak bij de boerderij van Vossaert.
Binnen de kortste keren stond de Ser Arendspolder vol water, want het was maar
een kleine smalle polder. Al heel snel stroomde het water met volle kracht over
de dijk de Hooglandpolder in, waar wij woonden. In de Westdijk werden op de
laagste plaatsen complete gaten geslagen waar het water vrij door kon.
En toen het water in ‘t Hoogland zo hoog steeg dat ook de
dijk van de Rummersdijkpolder het niet meer hield stroomde het water zo die
polder in. De dijk tussen het Hoogland en het Zoutland was blijkbaar sterk
genoeg. En ook de dijk bij de ‘’jerden euvel’’ hield het. Als dat damgat bij
van Esbroeck in de Rummersdijk niet op tijd was dichtgemaakt was Hengstdijk via
de Klein Hengstdijkpolder en de Groot Hengstdijkpolder ook ondergelopen. Net op
tijd is dat gelukkig wel gelukt.’’
De ondergelopen boerderij van Vink in ’t Hoogland waar Ko later op is gaan boeren.In de verte de Hooglandsedijk die niet is doorgebroken.
‘’Wat ik mij alleen van de watersnood herinner is dat er
’s-morgens rond half 5 op het zijraam beneden werd geklopt. Het was Marie van
den Bosch, de vrouw van Sjef van Heese. Die maakte ons wakker en riep:
‘’Charel, ulder Lewies staat onder water’’. Ze doelde op de boerderij van
Nonkel Leo en tante Louise van Esbroeck. Iedereen uiteraard uit bed.
Mijn vader is toen hoogstwaarschijnlijk naar de Rummersdijk
gegaan om te helpen, dat weet ik niet meer, maar ik heb later wel gehoord dat
hij rond 9 uur in de ochtend op het hof bij Nonkel Prudent aan de ‘jerden
heuvel’ aangekomen was om te informeren hoe het er daar bij stond.’’
Beneden op het bureau stond een radio. Mijn moeder draaide
wat heen en weer aan de knoppen maar het leverde niks op. Pas om 7 uur kwamen
de eerste summiere berichten binnen. Maar van de werkelijke omvang van de ramp
was toen nog niks bekend’’
Een van de dagen erna mocht ik met mijn zus Riet te voet
langs de Oude Stoof en over de Zuiddijk mee naar Kampen. Rechts stond er nog
volop water in de Rummersdijkpolder en ik weet nog dat ik bang was om daarin te
vallen. Van Kampen zelf kan ik me niks meer herinneren.’’
Hoewel hij als kleuter slechts zeer summiere herinneringen
aan de ramp heeft is het toch de moeite waard om deze te vermelden. Ko woonde
toen met zijn ouders en grootmoeder op het eind van de Plattedijk:
‘’ Op zondagmorgen ging mijn moeder naar de kerk in
Groenendijk. Maar ze heeft de mis daar niet bijgewoond omdat ze door de koster
werd gesommeerd om terug naar huis te gaan om haar man Fred te waarschuwen voor
de dijkdoorbraken.
Vader Fred nam nog snel een ontbijt en vertrok toen op z’n
motor. Waarheen weet ik niet precies, ik denk richting Perkpolder of
Walsoorden. Ik zat op het aanrecht en zag door het keukenraam hoe hij met een
grote trekzaag om z’n nek wegreed’’.
Ko weet niet te vertellen waar die zaag voor werd gebruikt,
maar hoogstwaarschijnlijk was het een probaat instrument om bomen om te zagen
die dienst konden doen als materiaal om gaten in de dijken te dichten.
De verwoeste aanlegsteiger in Walsoorden