Tieleke en Thea de Kort (1934 en 1935)

‘’Ik weet nog dat ik die zaterdagachtermiddag op de fiets van Kloosterzande naar huis probeerde te fietsen’’, vertelt Tieleke. ‘’Ik werkte toentertijd bij slagerij Eggermont in de Cloosterstraat. Maar er viel niet te fietsen, zo hard stormde het.’’ 
‘’De volgende morgen naar de vroegmis, en ik weet nog goed dat toen mijn neef Ward Collet in de kerk kwam om te zeggen dat de dijken doorgebroken waren en dat alle mannen direct moesten gaan helpen.’’ 
‘’Verder kan ik me er eigenlijk niet veel meer van herinneren. Wel dat ik een paar dagen later op de fiets met een collega die ook in de slagerij werkte en op Ossenisse woonde, ben gaan kijken naar de dijk bij ’t Zeedorp.’’   

Haar één jaar jongere zus Thea kan zich nog goed die bewuste zaterdag en zondag herinneren: 
‘’Zaterdagavond, 31 januari was ik aan het oppassen bij mijn zus Lena op ‘den Bos’. Het waaide vreselijk hard. Ik bleef daar slapen en op zondag ging ik terug naar huis. De eerste berichten van de ramp werden bekend. Dat maakte me ongerust en bang. Het waaide zo hard dat ik te voet met de fiets aan de hand naar Hengstdijk ben gelopen. Bovendien: ze waren aan ‘’de Nieuwe Weg’’ aan het werken. 
Overal was zand.’’ ‘’Toen ik thuiskwam hoorde ik dat alle mannen, dus ook mijn vader en ons jongens naar de doorgebroken dijken waren om te helpen de gaten te dichten.’’ Ik weet nog wel dat we bang waren, vooral omdat we eigenlijk niet goed wisten wat er allemaal opdeed.’’ 
Ik kan me er verder niet zoveel meer van herinneren, maar ik weet wel dat ik een paar keer naar Kampen ben gegaan om met eigen ogen te zien wat de overstromingen teweeg hadden gebracht.’’
Ik weet ook nog dat er militairen kwamen helpen en dat die bij verschillende huishoudens onderdak vonden om te overnachten. Bij ons Marie lagen er ook twee en die zijn nog heel lang daarna ieder jaar terug op bezoek gekomen.’’ 
Thea vertelt nog een mooie anekdote: ‘’Bij Joos de Waal en Mie de Cock waren ook soldaten ingekwartierd. Eén van die soldaten was Fons Lambin uit Kieldrecht. Die kreeg verkering met Els en later zijn ze getrouwd. Zo heeft de ramp ook iets leuks teweeggebracht.’’ 

Yvonne Hermans en Agnes Merk bij de ravage op Kampen.

Celina Pieters - Collet (1937)

‘’Veel herinner ik me niet meer hoor. Ik werkte toen bij de juffrouw Kakebeeke en haar moeder op Walsoorden. 
Toen ik daar op maandagmorgen op de fiets kwam aangereden kwam het water me al tegemoet. Bij vloed stroomde het over de oude aanlegsteiger van de veerboot zo Walsoorden in. Die steiger was grotendeels door het water verwoest. 
Het laagste deel van Walsoorden (’t Nieuwe Diep) stond een tijdje onder water.’’

Het ‘’Nieuwe Diep’’ in Walsoorden, enkele dagen na de ramp

Paul de Rijck (1939)

Een bijna ooggetuigenverslag tekenen we op uit de mond van Paul: ‘’Ik kan mij alles nog heel goed herinneren.’’ 
‘’Het was zaterdagavond 31 januari 1953 en het stormde enorm. Nou was ik altijd al geïnteresseerd in de zee, in het weer en in boten. Rond 10 uur ’s-avonds was er dijkbewaking ingesteld. Dat had ik via het nieuws op de radio gehoord. Mijn vader lag in het ziekenhuis in Hulst en ik was de oudste van de jongens thuis. Dertien jaar oud, maar ik voelde me toch een beetje de plaatsvervanger van vader. Mijn moeder was behoorlijk ongerust en bang. Rond half 5 op zondagmorgen werd ik wakker. Het stormde nog steeds en ik ging controleren of er niks kapotgewaaid was.’’ 
  
‘’We hadden thuis het post-telefoon- en telegraafkantoor. Telefoneren in het dorp kon alleen via mijn moeder. Door het steken van stekkers op de juiste plaatsen kon ze mensen met elkaar in verbinding brengen. Op een gegeven moment, het was nog midden in de nacht, ging de telefoon. Het was Leo van Esbroeck en die riep: ‘’Louise, Louise help ons, help ons, we staan onder water!’’.   

‘’Mijn moeder belde burgemeester Hendriks, maar die kon alleen maar uitbrengen: ‘’Wat erg, wat erg, wat kan ik doen?’’ Dat hielp niet veel en dus belde ze naar de gemeentesecretaris Hermans (een broer van Dees). ‘’Ik woon in Ossenisse en hier is de dijk ook doorgebroken’’ zei hij. Mijn moeder heeft toen Sjef van Heese gebeld. Die woonde naast Charel Kerckhaert de broer van Leo van Esbroeck z’n vrouw, Louise Kerckhaert om te zeggen dat z’n zus en zwager onder water stonden.   

‘’Ik ging om 7 uur naar de vroegmis. Plotseling kwamen er een paar mannen de kerk in met lieslaarzen. Een van hen was Ward Collet. Die riep: ‘’Ache nie wil verzuipen moeie direct kommen elpen.’’ De pastoor legde de mis stil en riep alle mannen op om de kerk te verlaten en te gaan helpen. In de Rummersdijk kwam het zeewater met volle kracht door het damgat bij Ward van Esbroeck. Het liep de Klein Hengstdijkpolder in, richting de Oude Stoof. Als dat gat niet dicht gemaakt zou worden zou uiteindelijk heel Hengstdijk onder water komen te staan.’’  

  ‘’Van nature ben ik nogal nieuwsgierig dus ik reed na de kerkdienst op mijn fiets naar de Rummersdijk. Al gauw zag ik dat het menens was. Het water bij de boerderij van Leo van Esbroeck stond zeker 1,80 meter hoog en inderdaad: door de doorsteek naar Ward van Esbroeck stroomde het water met volle kracht de Klein Hengstdijkpolder in.’’ ‘’Met baalzakken, gevuld met zand en klei werd geprobeerd het gat te dichten, maar de kracht van het water was te groot. ‘’ 
‘’Honoré van Gassen nam op een bepaald moment de leiding over de hele operatie en hij kwam op het idee om een platte kar met zandzakken in het gat te rijden. Vervolgens werden wat bomen die op de dijk stonden gekapt en als versteviging voor de kar aangebracht. Daarna werden er weer zandzakken tegenaan gelegd. Na een hele dag zwoegen kregen ze uiteindelijk het gat zover dicht dat er bijna geen water meer door kwam ‘’.   

Paul vertelt nog een ‘leuke’ anekdote, die we ook al van Jo de Roos hadden vernomen: ‘’Het is niet verwonderlijk dat er gebrek was aan jute zakken. De boeren in de buurt stonden uiteraard hun zakken af om het gat dicht te krijgen, maar het gerucht ging dat een van de boeren uit de omgeving daartoe niet bereid was. De politie moest er zelfs aan te pas komen en pas na dreiging met het dienstwapen werden de zakken afgestaan. Vanaf toen ging de betrokken boer als ‘’zakkenboer’’ door het leven’’.   

‘’De familie van Leo van Esbroeck zat nog in het huis. Die moesten eruit. Ze hadden eerst een bootje, als redmiddel, waarschijnlijk van Moorthamer op Kuitaart, maar de eerste poging mislukte. Vervolgens werd een rubberboot ingezet en toen gebeurde er iets heldhaftigs: Theo de Kort zwom met die rubberboot door het koude water naar het huis. Ik zie nog voor me dat Leo en een paar meisjes uit het raam klommen en in de rubberboot naar de kant werden gevaren.’’ 
‘’Toen Theo verkleumd terugkwam gezwommen zat hij onder het bloed want hij was dwars door een doornen heg gezwommen.’’.   

Theofiel Schelfhout, kleinkind van Leo en Louise, wist onlangs nog een mooi detail over deze evacuatie te vertellen: ‘’Mijn zus Angela logeerde als baby bij opa en oma van Esbroeck in de Rummersdijk omdat mijn vader en moeder naar Bergen op Zoom waren naar een zus van mijn moeder. Vanwege de storm voer de veerpont niet en ze moesten dus in Bergen op Zoom overnachten. Ze waren buitengewoon ongerust toen ze van de dijkdoorbraak hoorden. Gelukkig is Angela, net als de rest van de familie in de rubberboot veilig naar de kant gebracht.’’   

Paul vertelt verder:
 ‘’Op maandag ging ik met de fiets naar Kampen. Naast de Rummersdijk was ook de Ser Arendspolder die liep tot aan Kampen ondergelopen. En daar dreven heel veel dode schapen, allemaal van ‘Noomke’ Mel. Geen schaap had het overleefd.

‘’Ondertussen waren er ook al enkele militairen om te helpen. Zij waren vooral bezig om de deuren in de duiker onder de weg gesloten te krijgen zodat het water niet in ‘’d’Aaf’’ richting de Vogel kon lopen. Dat was nog een hele klus. Met touw en hooi en stenen lukte het uiteindelijk om de gaten dicht te krijgen.’’   
‘’Op een gegeven moment verscheen er een grote auto op de Kampense dijk. En daaruit stapte Hare Majesteit (oud) Koningin Wilhelmina. Lange jas aan bijna tot op de grond, een grote hoed op en laarzen aan. De militairen sprongen gelijk in de houding. Ze kwam even langs om haar medeleven te betuigen’’.

Citaat uit de PZC van 2 februari 1953:

‘’Gisterenmorgen tegen tienen kwam Prinses Wilhelmina met de D-trein uit Nederland in Antwerpen aan. Hier stond haar hofauto gereed, waarmee ze naar de Zeeuwsvlaamse grens reed. (…..) Via Hulst reed het gezelschap naar Kloosterzande en Ossenisse, waar Prinses Wilhelmina het eerste overstroomde gebied in Zeeland zag en waar zij zich terdege van de situatie op de hoogte liet stellen.’’

Militairen en burgers aan het sjouwen met zandzakken in de buurt van Kampen

‘’Ook herinner ik mij dat er op een bepaald moment een Dacota DC2 over Kampen vloog. Van de Amerikanen. Die waren gelegerd in Soesterberg. En die dropten grote pakken jute zakken van misschien wel 1.000 kilo. Dat was tussen Dixhoorn en Kampen aan de kant van ‘’d’Aaf’’ in de buurt van waar Jan den Hamer woonde.’’   

‘’Vrij kort na 1 februari kwamen er steeds meer militairen om te helpen de gaten in de dijken te dichten. Aanvankelijk Nederlandse genietroepen, maar later ook veel soldaten uit Vlaanderen en Wallonië. Die werden ’s-nachts ondergebracht bij particulieren in het dorp. Dat zorgde uiteraard voor hilarische taalproblemen, want nagenoeg niemand sprak Frans, en die militairen geen Nederlands. Ze werden vooral ingezet bij het gemaal van Kampen en bij de dijk aan het Zeedorp.’’   

‘’Omdat de duiker bij Kampen afgesloten was kon het water in de Vogel niet weg. Het steeg tot zo grote hoogte dat op het erf van Boeijkens zo’n 20 centimeter water kwam te staan en bij ons thuis achterbuiten stond de sloot op overlopen. Toen hebben ze overal pompen ingezet van de firma Eekels uit Amsterdam om zo het waterpeil te verlagen’’.   ‘’Ik zat in Terneuzen op school, maar die eerste week van februari ging dat niet. Bij waar nu het nieuwe gemaal van Kampen is, is na een tijdje een geniebrug aangelegd waardoor we via die brug naar het Hellegat en verder langs de zeedijk naar Terneuzen naar school konden fietsen’’.