‘’Ik weet nog dat ik die zaterdagachtermiddag op de fiets van
Kloosterzande naar huis probeerde te fietsen’’, vertelt Tieleke. ‘’Ik werkte
toentertijd bij slagerij Eggermont in de Cloosterstraat. Maar er viel niet te
fietsen, zo hard stormde het.’’
‘’De volgende morgen naar de vroegmis, en ik weet nog goed
dat toen mijn neef Ward Collet in de kerk kwam om te zeggen dat de dijken
doorgebroken waren en dat alle mannen direct moesten gaan helpen.’’
‘’Verder kan ik me er eigenlijk niet veel meer van
herinneren. Wel dat ik een paar dagen later op de fiets met een collega die ook
in de slagerij werkte en op Ossenisse woonde, ben gaan kijken naar de dijk bij
’t Zeedorp.’’
Haar één jaar jongere zus Thea kan zich nog goed die bewuste
zaterdag en zondag herinneren:
‘’Zaterdagavond, 31 januari was ik aan het oppassen bij mijn
zus Lena op ‘den Bos’. Het waaide vreselijk hard. Ik bleef daar slapen en op
zondag ging ik terug naar huis. De eerste berichten van de ramp werden bekend.
Dat maakte me ongerust en bang. Het waaide zo hard dat ik te voet met de fiets
aan de hand naar Hengstdijk ben gelopen. Bovendien: ze waren aan ‘’de Nieuwe
Weg’’ aan het werken.
Overal was zand.’’
‘’Toen ik thuiskwam hoorde ik dat alle mannen, dus ook mijn
vader en ons jongens naar de doorgebroken dijken waren om te helpen de gaten te
dichten.’’
Ik weet nog wel dat we bang waren, vooral omdat we eigenlijk
niet goed wisten wat er allemaal opdeed.’’
Ik kan me er verder niet zoveel meer van herinneren, maar ik
weet wel dat ik een paar keer naar Kampen ben gegaan om met eigen ogen te zien
wat de overstromingen teweeg hadden gebracht.’’
Ik weet ook
nog dat er militairen kwamen helpen en dat die bij verschillende huishoudens
onderdak vonden om te overnachten. Bij ons Marie lagen er ook twee en die zijn
nog heel lang daarna ieder jaar terug op bezoek gekomen.’’
Thea vertelt nog een mooie anekdote:
‘’Bij Joos de Waal en Mie de Cock waren ook soldaten
ingekwartierd. Eén van die soldaten was Fons Lambin uit Kieldrecht. Die kreeg
verkering met Els en later zijn ze getrouwd. Zo heeft de ramp ook iets leuks
teweeggebracht.’’
Yvonne Hermans en Agnes Merk bij de ravage op Kampen.
‘’Veel herinner ik me niet meer hoor. Ik werkte toen bij de
juffrouw Kakebeeke en haar moeder op Walsoorden.
Toen ik daar op maandagmorgen
op de fiets kwam aangereden kwam het water me al tegemoet. Bij vloed stroomde
het over de oude aanlegsteiger van de veerboot zo Walsoorden in. Die steiger
was grotendeels door het water verwoest.
Het laagste deel van Walsoorden (’t
Nieuwe Diep) stond een tijdje onder water.’’
Het ‘’Nieuwe Diep’’ in Walsoorden, enkele dagen na de ramp
Een bijna ooggetuigenverslag tekenen we op uit de mond van
Paul:
‘’Ik kan mij alles nog heel goed herinneren.’’
‘’Het was zaterdagavond 31 januari 1953 en het stormde enorm.
Nou was ik altijd al geïnteresseerd in de zee, in het weer en in boten. Rond 10
uur ’s-avonds was er dijkbewaking ingesteld. Dat had ik via het nieuws op de
radio gehoord. Mijn vader lag in het ziekenhuis in Hulst en ik was de oudste
van de jongens thuis. Dertien jaar oud, maar ik voelde me toch een beetje de
plaatsvervanger van vader. Mijn moeder was behoorlijk ongerust en bang. Rond
half 5 op zondagmorgen werd ik wakker. Het stormde nog steeds en ik ging
controleren of er niks kapotgewaaid was.’’
‘’We hadden thuis het post-telefoon- en telegraafkantoor.
Telefoneren in het dorp kon alleen via mijn moeder. Door het steken van
stekkers op de juiste plaatsen kon ze mensen met elkaar in verbinding brengen.
Op een gegeven moment, het was nog midden in de nacht, ging de telefoon. Het
was Leo van Esbroeck en die riep: ‘’Louise, Louise help ons, help ons, we staan
onder water!’’.
‘’Mijn moeder belde burgemeester Hendriks, maar die kon
alleen maar uitbrengen: ‘’Wat erg, wat erg, wat kan ik doen?’’ Dat hielp niet
veel en dus belde ze naar de gemeentesecretaris Hermans (een broer van Dees).
‘’Ik woon in Ossenisse en hier is de dijk ook doorgebroken’’ zei hij. Mijn
moeder heeft toen Sjef van Heese gebeld. Die woonde naast Charel Kerckhaert de
broer van Leo van Esbroeck z’n vrouw, Louise Kerckhaert om te zeggen dat z’n
zus en zwager onder water stonden.
‘’Ik ging om 7 uur naar de vroegmis. Plotseling kwamen er een
paar mannen de kerk in met lieslaarzen. Een van hen was Ward Collet. Die riep:
‘’Ache nie wil verzuipen moeie direct kommen elpen.’’ De pastoor legde de mis stil en riep alle mannen op om de
kerk te verlaten en te gaan helpen. In de Rummersdijk kwam het zeewater met
volle kracht door het damgat bij Ward van Esbroeck. Het liep de Klein
Hengstdijkpolder in, richting de Oude Stoof. Als dat gat niet dicht gemaakt zou
worden zou uiteindelijk heel Hengstdijk onder water komen te staan.’’
‘’Van nature ben ik nogal nieuwsgierig dus ik reed na de
kerkdienst op mijn fiets naar de Rummersdijk. Al gauw zag ik dat het menens
was. Het water bij de boerderij van Leo van Esbroeck stond zeker 1,80 meter hoog
en inderdaad: door de doorsteek naar Ward van Esbroeck stroomde het water met
volle kracht de Klein Hengstdijkpolder in.’’
‘’Met baalzakken, gevuld met zand en klei werd geprobeerd het
gat te dichten, maar de kracht van het water was te groot. ‘’
‘’Honoré van Gassen nam op een bepaald moment de leiding over
de hele operatie en hij kwam op het idee om een platte kar met zandzakken in
het gat te rijden. Vervolgens werden wat bomen die op de dijk stonden gekapt en
als versteviging voor de kar aangebracht. Daarna werden er weer zandzakken
tegenaan gelegd. Na een hele dag zwoegen kregen ze uiteindelijk het gat zover
dicht dat er bijna geen water meer door kwam ‘’.
Paul vertelt nog een ‘leuke’ anekdote, die we ook al van Jo
de Roos hadden vernomen:
‘’Het is niet verwonderlijk dat er gebrek was aan jute
zakken. De boeren in de buurt stonden uiteraard hun zakken af om het gat dicht
te krijgen, maar het gerucht ging dat een van de boeren uit de omgeving daartoe
niet bereid was. De politie moest er zelfs aan te pas komen en pas na dreiging
met het dienstwapen werden de zakken afgestaan. Vanaf toen ging de betrokken
boer als ‘’zakkenboer’’ door het leven’’.
‘’De familie van Leo van Esbroeck zat nog in het huis. Die
moesten eruit. Ze hadden eerst een bootje, als redmiddel, waarschijnlijk van
Moorthamer op Kuitaart, maar de eerste poging mislukte. Vervolgens werd een
rubberboot ingezet en toen gebeurde er iets heldhaftigs: Theo de Kort zwom met die
rubberboot door het koude water naar het huis. Ik zie nog voor me dat Leo en
een paar meisjes uit het raam klommen en in de rubberboot naar de kant werden
gevaren.’’
‘’Toen Theo verkleumd terugkwam gezwommen zat hij onder het
bloed want hij was dwars door een doornen heg gezwommen.’’.
Theofiel Schelfhout, kleinkind van Leo en Louise, wist
onlangs nog een mooi detail over deze evacuatie te vertellen:
‘’Mijn zus Angela logeerde als baby bij opa en oma van
Esbroeck in de Rummersdijk omdat mijn vader en moeder naar Bergen op Zoom waren
naar een zus van mijn moeder. Vanwege de storm voer de veerpont niet en ze
moesten dus in Bergen op Zoom overnachten. Ze waren buitengewoon ongerust toen
ze van de dijkdoorbraak hoorden. Gelukkig is Angela, net als de rest van de
familie in de rubberboot veilig naar de kant gebracht.’’
Paul vertelt verder:
‘’Op maandag ging ik met de fiets naar Kampen. Naast de
Rummersdijk was ook de Ser Arendspolder die liep tot aan Kampen ondergelopen.
En daar dreven heel veel dode schapen, allemaal van ‘Noomke’ Mel. Geen schaap
had het overleefd.
‘’Ondertussen waren er ook al enkele militairen om te helpen.
Zij waren vooral bezig om de deuren in de duiker onder de weg gesloten te
krijgen zodat het water niet in ‘’d’Aaf’’ richting de Vogel kon lopen. Dat was
nog een hele klus. Met touw en hooi en stenen lukte het uiteindelijk om de
gaten dicht te krijgen.’’
‘’Op een gegeven moment verscheen er een grote auto op de
Kampense dijk. En daaruit stapte Hare Majesteit (oud) Koningin Wilhelmina.
Lange jas aan bijna tot op de grond, een grote hoed op en laarzen aan. De
militairen sprongen gelijk in de houding. Ze kwam even langs om haar medeleven
te betuigen’’.
‘’Gisterenmorgen tegen tienen kwam Prinses Wilhelmina met de D-trein uit Nederland in Antwerpen aan. Hier stond haar hofauto gereed, waarmee ze naar de Zeeuwsvlaamse grens reed. (…..) Via Hulst reed het gezelschap naar Kloosterzande en Ossenisse, waar Prinses Wilhelmina het eerste overstroomde gebied in Zeeland zag en waar zij zich terdege van de situatie op de hoogte liet stellen.’’
Militairen en burgers aan het sjouwen met zandzakken in de buurt van Kampen
‘’Ook herinner ik mij dat er op een bepaald moment een Dacota
DC2 over Kampen vloog. Van de Amerikanen. Die waren gelegerd in Soesterberg. En
die dropten grote pakken jute zakken van misschien wel 1.000 kilo. Dat was
tussen Dixhoorn en Kampen aan de kant van ‘’d’Aaf’’ in de buurt van waar Jan
den Hamer woonde.’’
‘’Vrij kort na 1 februari kwamen er steeds meer militairen om
te helpen de gaten in de dijken te dichten. Aanvankelijk Nederlandse
genietroepen, maar later ook veel soldaten uit Vlaanderen en Wallonië. Die
werden ’s-nachts ondergebracht bij particulieren in het dorp. Dat zorgde
uiteraard voor hilarische taalproblemen, want nagenoeg niemand sprak Frans, en
die militairen geen Nederlands.
Ze werden vooral ingezet bij het gemaal van Kampen en bij de
dijk aan het Zeedorp.’’
‘’Omdat de duiker bij Kampen afgesloten was kon het water in
de Vogel niet weg. Het steeg tot zo grote hoogte dat op het erf van Boeijkens
zo’n 20 centimeter water kwam te staan en bij ons thuis achterbuiten stond de
sloot op overlopen. Toen hebben ze overal pompen ingezet van de firma Eekels uit
Amsterdam om zo het waterpeil te verlagen’’.
‘’Ik zat in Terneuzen op school, maar die eerste week van
februari ging dat niet. Bij waar nu het nieuwe gemaal van Kampen is, is na een
tijdje een geniebrug aangelegd waardoor we via die brug naar het Hellegat en
verder langs de zeedijk naar Terneuzen naar school konden fietsen’’.