Hoewel de honderd gepasseerd weet Marie zich die bewuste
dagen nog prima te herinneren:
‘’Die zaterdag in januari ‘53 stormde het enorm hard. We
woonden toen op het Vogelfort. We waren bij mijn ouders op bezoek. Ik was in
verwachting van mijn dochter Lisette. Mijn vader zei dat het beter was om te
blijven slapen en niet naar het Vogelfort te gaan. Maar ja, we gingen toch; op
de fiets. Maar er viel nauwelijks te fietsen. Ze waren toen ‘de nieuwe weg’ aan
het aanleggen en bij het Vogelfort moest je over een smal pad met links en
rechts water zien te geraken om thuis te kunnen komen. Eerst Eugène zijn fiets
erover en toen de mijne. Met die storm was het een gevaarlijke onderneming.
Maar we zijn thuis geraakt.’’
Marie vervolgt:
‘’De volgende morgen stormde het nog steeds hard en gingen we
zoals altijd op zondag naar de vroegmis. Plotseling kwam mijn broer Bert met
nog iemand de kerk in met grote lieslaarzen aan. Hij stapte regelrecht naar de
pastoor toe. Ik dacht: ‘die is niet goed bij z’n verstand’, maar al snel bleek
dat dat niet het geval was. Hij vertelde dat de dijken waren doorgebroken. De
pastoor riep alle mannen op direct naar de dijken te gaan om te helpen. Vooral
dat gat bij van Esbroeck in de Rummersdijkpolder moest dicht anders zou het
hele dorp onderlopen.’’
Wie er nog veel van afweet en daadwerkelijk eerste hulp heeft
geleverd bij het dichten van de gaten in de dijken om ervoor te zorgen dat
Hengstsdijk niet onderliep was Piet:
‘’Het was verschrikkelijk weer. Al op zaterdagavond en de
hele nacht door stormde het zoals ik nog nooit had meegemaakt. Maar ik ging
natuurlijk wel op zondagmorgen naar de vroegmis. Ik weet niet meer wie er toen
plotseling in de kerk kwam, maar hij ging direct naar de pastoor om te zeggen
dat de dijken doorgebroken waren. Pastoor Bongenaar zei dat alle mannen direct de
kerk moesten verlaten en onmiddellijk moesten gaan helpen om het water tegen te
houden. We kregen te horen dat er een gat in de dijk bij het gemaal van Kampen
was geslagen. Heel de Rummersdijkpolder stond onder water. Op de boerderij van
Leo van Esbroeck stond meer dan anderhalve meter water’’.
‘’Ik heb daar de hele dag geholpen met zandzakken vullen.
Tegen de achtermiddag, net voor een nieuwe vloedgolf kwam was het gat redelijk
gedicht. In de nacht van zondag op maandag ben ik ook nog naar het Zeedorp bij
Ossenisse gegaan om te helpen, want daar was het ook behoorlijk raak. En op
maandagmorgen gewoon op de fiets naar m’n werk in Axel. En toen ik ’s-avonds
thuiskwam ben ik weer regelrecht naar het Zeedorp gefietst om nog de hele avond
daar te helpen om het gat dicht te krijgen’’.
De boerderij van Leo van Esbroeck enkele dagen na de rampnacht. Het water was toen al wat gezakt.
‘’Net als veel dorpsgenoten zat ik in de kerk op die
zondagmorgen. Bert ‘Lavoor’ kwam de kerk in en ging naar de pastoor om te
zeggen dat de dijken waren doorgebroken en dat alle mannen de kerk uit moesten
om te gaan helpen.’’
‘’Ik ben toen naar de Rummersdijk gegaan naar dat gat bij
Ward van Esbroeck om zandzakken te helpen vullen.
‘’Bij de boerderij van Leo van Esbroeck stond het water bijna
tot aan de goot. Later zakte dat weer hoor.’’
Ik weet nog dat we zakken tekort kwamen. We werden erop
uitgestuurd om bij boeren in de buurt zoveel mogelijk jute zakken te halen en
touw om ze dicht te kunnen binden. Maar bij een van de boeren kregen we geen
zakken mee omdat hij die nodig had om z’n op zolder liggend graan in te doen.’’
‘’Nou was er ook een politieman die meehielp om het damgat te
dichten.
Toen we terugkwamen vertelden we dat we geen zakken meegekregen
hadden. Die agent was het er niet mee eens en zei: ‘da zullem dan nog wel us
zien’ en hij ging er direct op af. Wat er precies gebeurd is weet ik niet,
maar we konden direct daarna wel zakken gaan ophalen.’’
‘’We moesten natuurlijk ook wat eten af en toe en ik weet nog
dat we in de kelder bij Ward van Esbroeck, uiteraard met toestemming, eten
mochten pakken.’’
Sjouwen om het gat dicht te krijgen