't Zal wel zukken werk zijn! (*1)

Twee vrienden, deel 1.

Niet dat ze hadden afgesproken. Dat deden ze eigenlijk nooit. Ze kwamen elkaar wel regelmatig tegen. Twee baonmannen (*2), ieder voor zijn eigen negotie op stap door het rustige Oost-Zeeuws-Vlaamse polderland van begin jaren 1960. Langzaam tufte Sjef van de Groenendijk naar Hengstdijk. Hij maakte een gezapig ommetjen langs de Koningsdijk en de boer waar hij vorige week nog een schoon wagentje had afgeleverd. Dat was daarom een goede zaak geworden bij dien boer dacht hij bij zijn eigen. En bij n’ n boer een goede zaak doen gaf extra plezier en veel voldoening. Er viel zelfs een tikkeltje leedvermaak op zijn gezicht af te lezen. Omdat het deze week al mee al goed was verlopen dwaalden zijn gedachten af naar de laatste keer dat hij nog eens bij Piet van Dijk was geweest. ‘k Gaan eens gaan kijken of dat den baas zelf ook thuis is, misschien kan ik wel een autootje verkopen, ‘k heb voor hem nog wel een goed tweedehandsken staan. En daar kwam bij, het was toch al bijna vrijdagachtermiddag.

In de buurt van Hengstdijk voelde Lon zich als een kloeken haas in zijne polder. Zijn splinternieuwe Opel Rekord stuurde hem onweerstaanbaar voorbij Kuitaart naar zijn geboortedorp, door de Karnemelkstraat linksaf naar de Kerkstraat, langzaam rijdend langs café het Jagershuis van de Kort. Voorbij het café de Afspanning van Piet de Waal over de glasgordijnen naar binnen glurend draaide hij de Plevierstraat in en zag Sjef nog net bij van Dijk naar binnen stappen. Da ’s ook wel sterk, waar zou die vandaan komen schoot het door zijn hoofd, afijn, dat zal ik zo wel horen.

Aan de door Henk Waterschoot pas geheel vernieuwde toog zat er al veel volk. Deze week waren er reparaties nodig geweest want bij de opening van vorige week vrijdag was de zaak lelijk gerinneweerd zoals Marie uitlegde aan ieder die het wilde horen. De toog was van zijn plek getrokken en diverse pas opgeknapte tafeltjes en stoelen waren kapotgeslagen. De judoclubs van Desnis en van Klooster waren op de heropening afgekomen en hadden na een fikse ruzie de boel zowat afgebroken. Maar het was allemaal opgelost en voor de stamgasten en andere nieuwsgierigen was er niks meer te zien van de ravage. Lon en Sjef wisselden een eerste blik van verstandhouding en ze gingen strategisch aan het dichtst bijzijnde tafeltje zitten, met volledig zicht op de goed bemanden toog. Ook hun tafeltje had net een nieuw formica blad gekregen. Twee bier was de voor de hand liggende bestelling en toen Marie die op hun tafel zette zei Lon nonchalant: “Het is goed weer vandaag, geef ons allemaal wat te drinken.” En zet het voor ons maar op één rekening, zei Sjef. Ze hebben al n’ n goeien zit over ulder (*3) dacht één van de trouwe klanten aan de toog. “Dat gaat hier mis zijn mee meer als drie heren (*4)”, zei hij zachtjes tegen de buurman waarvan hij verwachtte dat die de woordspeling zou begrijpen.

Onze twee baanmannen wisselden hun laatste zakelijke nieuwtjes uit, want ze waren hier natuurlijk niet alleen om bier te drinken en wat te zeveren (*5) maar ook om wat zakelijke wetenswaardigheden uit te wisselen. Als er een auto gekocht werd moest die ook verzekerd worden en de mensen die een auto kochten moesten ook leren autorijden. En, een vliegende kraai vangt nou eenmaal meer dan een zittende (*6). Dat zeiden ze ook als ze ’s maandags wat laat thuis kwamen van de Hulsterse markt.

Ze hangen ‘oog (*7) opende Lon het zakelijke gedeelte van het gesprek en Sjef beaamde dat. De betalingen komen maar mondjesmaat binnen en ge moet goed opletten mee die banken van tegenwoordig. Handje contantje is geen mode meer maar het was vroeger toch veel gemakkelijker om wat zwarte mussen (8)onder de tafel te vangen. En die boekhouders hoeven trouwens ook niet alles te weten.

Vervolg >>