Een verhaal van Kees Vinke over de vroegere kermissen in Pauluspolder

Om te beginnen, de "Polderkermissen" in vroeger jaren. Eerst iets over de kermissen in het land van Hulst in zijn algemeenheid. Elk dorp en elk gehucht had zijn eigen kermis op vaststaande weekenden van het jaar. Het begon met de meikermis in Hulst en het eindigde met de oktoberkermis. Daar tussen zaten al die andere plaatsen; op sommige plaatsen ook wel twee keer in die periode. Het waren dus weekenden; beginnend op zaterdag en eindigend op maandag.
Voor de plaatselijke bevolking waren dit hoogtijdagen. De woning kreeg een extra beurt en ook het erf en de tuin moesten er netjes bijliggen. De familie uit het land van Hulst kwam meestal op zondag op bezoek. De maandag ging niemand van de dorpelingen en de omgeving werken. Die dag vierde de eigen bevolking kermis. Er kwamen dan nauwelijks mensen van buiten het dorp. De jongens en meisjes gingen allemaal naar de zondagse kermissen in de hele streek. De kermis was de gelegenheid waar de jongeren elkaar ontmoetten. In de plaatselijke kleine cafeetjes werd er gedanst. Met zoveel mensen binnen was het meestal bloedheet. Daar stoorde niemand zich aan: je was gezellig bij elkaar. Een volle week werken kostte minder zweet dan een avond dansen.
De kermis begon al vrij vroeg op de dag; zo ongeveer rond vijf, zes uur. Had je als jongen rond negen uur in de avond nog geen meisje gevonden dan kon je het die dag wel vergeten. Ze waren dan allemaal al naar huis toe, behalve de meisjes die al een vriend hadden. Die bleven nog wat langer. Naast de dansgelegenheid stonden er ook nog: een mallemolen, een kindermolen, de zweefmolen, de schommel en een kraam met snoep en friet. De ijscokar mag zeker niet vergeten worden. Vooral op maandag werden de bloemetjes flink buiten gezet.
Velen spaarden een heel jaar om op die dag kermis te kunnen vieren. Op een paar dorpen begon de kermismaandag met een mis in de kerk. Op dat moment werden de mensen herdacht die in het afgelopen jaar overleden waren. Ik weet zeker dat ze op Hengstdijk zo begonnen. Kloosterzande had twee keer kermis in een jaar. Deze waren niet gepland in een weekend maar op 29 juni en 15 augustus. Dit waren kerkelijke feestdagen. De kermis van 29 juni werd al spoedig verschoven naar de zondag voor of de zondag na 29 juni.

Nu dus naar de kermis in Pauluspolder of de "Polderkermis". De polderkermis was de eerste zondag van september, de zaterdag daar aan voorafgaand en de maandag erop. Op de kalender kon dat zes dagen verschillen omdat de eerste zondag in september 1 of 7 september kon zijn. De week ervoor was de kermis op Hengstdijk, de week erna op Boschkapelle.
Als schooljongens leefden we de week vooraf al naar de kermis toe. Het eerste waar we naar uitkeken was de komst van de wagens met spullen die van Hengstdijk kwamen. Die werden gebracht door Frans Koster uit Axel. Hij was een vrachtrijder met paarden. Voor de klompenmakers van de Clinge vervoerde hij veel bomen. Eind jaren 20, begin jaren 30 heeft hij nog op Pauluspolder geboerd. Op de plaats waar nu de familie de Waal woont Na afloop van de kermis vervoerde hij alle wagens naar Boschkapelle. Wat later had men Frans niet meer nodig omdat de kermisexploitanten zelf een vrachtwagen aanschaften. Kees de Smet van Pauluspolder en van der Walle uit Terhole hebben dit vervoerswerk ook nog gedaan. Dit heb ik van horen zeggen.
Het materiaal voor de schommel stond aan de zijkant van de weg voor het cafeetje van Lafeber, ook wel De Oude School genoemd. Tot 1912 stond daar de school. Later werd een nieuwe school gebouwd waar ik mijn kennis heb opgedaan. Een oude polderjaan heeft mij verteld dat er zelfs een keer de schommel en de zweefmolen gestaan hebben. Later kwam de schommel niet meer. De zweefmolen van de familie Janssen was er altijd. De zweefmolen stond op het erf bij de familie Sponselee. De familie Janssen bestond uit een wat oudere vrouw met de dochters Marieken en Liesbeth. Een jongen van de "Polder" heeft zijn uiterste best gedaan om met Marieken verkering te krijgen. Het is hem helaas niet gelukt, hooguit ontstond een vriendschap. Later werd de zaak voortgezet mede door de zoon Chris. De hele familie hielp bij het opbouwen en weer afbreken van de zweefmolen. De dochters hielpen daar ook bij. Zo ook op het dorp Hengstdijk. De meisjes droegen daarbij een overall. Zo liepen ze ook over het dorp van het werk naar hun wagen die een eind verderop stond. De toenmalige pastoor van Hengstdijk vond het maar niks, vrouwen in mannenkleren. Hij achtte het nodig om in de mis op zondagmorgen dit aan de orde te stellen. Dat hoorde natuurlijk ook de familie Janssen. Zij waren het hierover met de pastoor totaal oneens. Een pittig gesprek tussen hun beide volgde en het resultaat was dat de pastoor de volgende zondag zijn excuses vanaf de kansel aanbood.

Op de polderkermis stond ook nog de snoepkraam van Bon Raman en zijn twee vrouwen. Behalve zijn eigen vrouw was er ook nog een zuster van een van beiden in dat gezin. Die zuster stond ook altijd in de snoepkraam. Deze familie woonde op de Margaretsedijk
Door de week kwamen ze met kar en paard met kruidenierswaren bij hun vaste klanten langs de deur. Daarnaast werd voor de familie Muller, die een timmerfabriek op dezelfde dijk hadden, ramen, deuren en kozijnen naar bouwwerken in de regio en tot in Terneuzen rondgebracht. Soms stond er op de kermis ook nog een friettent. De ijscokar was natuurlijk altijd aanwezig. In de cafés werd er gedanst bij de familie Lafeber, later Kees Stallaert. Toen dit cafeetje sloot was het dansen bij de familie Mannaert naast de school.

Bij Fons Sponselee en zijn zuster was het altijd gaaibollen. Het was een heel oud spel wat bijna nergens anders werd gespeeld. Men gebruikte houten schijven van ongeveer 15 centimeter middellijn. Die werden over een afstand van ongeveer 10 meter over de grond een bord opgerold. Dat bord van ongeveer 2 meter lengte en 1,5 meter breedte stond als een helling opgesteld. Bovenop waren houten pennen gezet ongeveer 30 centimeter lang en bovenaan wat aangepunt. Op die houten pennen werden klosjes vastgedrukt (de zogenaamde vogels) die ongeveer 19 bij 5 centimeter groot waren. De speler moest met die schijven proberen de vogels eraf te gooien. Achter dat bord met de vogels was een zeil gespannen zodat de schijven en de vogels niet te ver wegrolden. De baas van de staminee had enkele dagen voor de kermis de grond voor het bord netjes gelijk gemaakt en het gras verwijderd. Zo kon er vlot over de grond gerold worden. De schijven werden bollen genoemd. Enkele grote schooljongens werden gevraagd om bollen te rapen. Ze verzamelden die in een mand en brachten ze terug naar de spelers. Waar zijn de spullen van dit spel na het sluiten van het cafeetje gebleven? Ik zou het niet weten.

De kermisdagen op een dorp waren zo belangrijk dat de mensen op kermismaandag niet gingen werken. De financiële gevolgen daarvan waren voor eigen rekening, want de werkgever betaalde het niet. In het najaar van 1944 werd het zuiden van het land bevrijd van de Duitsers. In de Pauluspolder stond de kermis opgesteld. We beleefden op naar ik meen 4 september de "Dolle Dinsdag". De bezetters waren in paniek op de vlucht voor de geallieerde bevrijders. Deze stuurden berichten de wereld in dat ze heel België al bevrijd hadden; zelfs al een groot gedeelte van Zuid-Nederland. Ook de plaatselijke bevolking geloofde dit en zij gingen de bezetters en hun handlangers te lijf. De zweefmolen van de familie Janssen stond ook nog op het erf van de familie Sponselee. Zij besloten daar rustig te blijven staan gezien de onzekerheid van de toestand in Zeeuws-Vlaanderen. Op die bewuste dinsdag dacht eenieder dat we inderdaad bevrijd waren. Dat moest gevierd worden. De muziek werd aangezet en de zweefmolen draaide op volle toeren. Dat was op dinsdag nog nooit gebeurd! Persoonlijk kon ik niet tegen dat gedraai dus ging ik nooit in de molen zitten. Ik dacht er nu wel tegen te kunnen. Ik stapte in de molen; na een keer had ik moeten stoppen. Ik bleef nog een keer zitten. Het gevolg laat zich wel raden. Ik was zo misselijk en ziek, dat..... Het vervolg snap je wel.

Tijdens het feestvieren in de avond werden door mensen van de ondergrondse en het verzet mensen uit de gemeenschap opgepakt en meegenomen. De ondergrondse en het verzet waren uit hun schuilplaatsen gekomen. De propaganda was echter te voorbarig geweest; we waren nog niet bevrijd. Alle opgepakte mensen moesten weer terug vrijgelaten worden. Het was een geluk dat de echte bevrijding door de Polen kort daarop geschiedde. De bezetters en hun handlangers kregen geen tijd om verhaal te halen. Bij een latere bevrijding was het op een bloedbad kunnen uitlopen in Zeeuws-Vlaanderen. De zweefmolen is door vliegtuigen nog een keer beschoten. De eigenaars hebben zich met hun wagens nog een hele tijd op Pauluspolder schuil gehouden.

Ook kermisattracties waren niet altijd veilig getuige het volgende voorval. De zweefmolen draaide op volle toeren toen een meisje van de Polder eruit rolde. In de buurt van de zweef stond een heg; dat was haar geluk. Ze vloog er bovenop. Het liep af met wat schrammen en blauwe plekken. Haar kleding was wel aan flarden.

Wat ik in het begin al vermelde waren de kermissen de ontmoetingsplek voor de jongeren. Zij gingen elke zondag naar een dorp waar kermis was. Zo kwamen ze ook op de Polderkermis.
Er zijn huwelijken gesloten die hun begin op de Polderse kermis hadden. Persoonlijk weet ik dat van twee stellen. Kortgeleden heeft een van die stellen de 50-jarige bruiloft gevierd. Bij de families thuis werd er tijdens de kermisdagen extra aandacht besteed aan het eten en de gezelligheid. Zo ook in mijn familiekring.
Twee zusters van mijn moeder en moeder zelf natuurlijk met de echtgenotes zorgden voor de speciale sfeer. Een zuster woonde op Kuitaart de ander op Boschkapelle.In juni was het op Kuitaart kermis, dan gingen we daar naar toe; de eerste zondag van september kwam de groep naar Pauluspolder en de tweede zondag trokken we naar Boschkapelle. Wij als kinderen noemden dat de "Kermisploeg". De kermis zelf werd niet bezocht. Het was zuiver en alleen om de familieband te doen.

Een verhaaltje uit die tijd dat nog steeds de ronde doet:

Omstreeks 1948 werd in de Pauluspolder een ruilverkaveling uitgevoerd.
Een aannemer van de overkant had een deel van de klus aangenomen.
Op een dag deed de motor van een van zijn machines het niet meer.
De lokale fietsenmaker, Bert Ongenae, werd er bij gehaald.
Hij liep 4 keer om de machine heen. Daarna nam hij zijn vuisthamer en sloeg zo hard hij kon op de motor.
En tot ieders verbazing deed de motor het weer.
De rekening was voor die tijd hoog: 25 gulden.
De aannemer vond de rekening ook hoog en vroeg om een specificatie.
Die was als volgt:
Een keer met de hamer slaan 1,-- gulden
Weten waar te slaan: 24,-- gulden.
Totaal 25,-- gulden

Bron George de Schepper.