De voederbiet is de laatste jaren geheel uit het bouwplan verdwenen, teveel handwerk. Zo werd vroeger gebruikt als veevoer voor de paarden en koeien. Moeilijk machinaal te rooien, geen eenkiemig zaad beschikbaar, dus nog bietendunnen, waar niemand nog aan wil en veel werk bij de bewaring in de winter. Maar ook de erwten, kapucijners en schokkererwten zijn bijna verdwenen uit het bouwplan van de Zeeuws Vlaamse boer.
In de plaats gekomen is: "MAIS”. Maïs is een gewas dat na de oorlog op de boerderijen gekomen is, toen was daar ook nog veel handwerk aan. Het zaaien gebeurde met de"plantstok". Moest je met de zaaimachine eerst rijen trekken op het land, dan kwam de man met de plantstok en vulde die met zaaizaad en stak met de stok in de grond en liet daar een zaadje achter. Tijdens de oogst moesten de maïskolven met de hand uitgetrokken worden en in een maisren verder drogen. De maisren was te vergelijken met de uienren, alleen niet op de grond beginnen, maar boven de grond op een vloer.
De laatste jaren is het oogsten van het gewas totaal veranderd, er zijn nu twee methodes. Het eerste is de maïs zo ver mogelijk te laten afrijpen, maar dan is het vrij vaak al in oktober. Dan wordt met een aangepaste combine de maïs gemaaid en gedorsen. Het stro blijft op het land en wordt ondergeploegd. De maïs moet dikwijls, direct naar een drogerij, omdat er te veel vocht nog in zit, soms wel tot rond de 35 procent en kan zo niet bewaard worden. .

De andere en meest gebruikelijke is de maïs in melkrijpe toestand van de kolven in zijn totaliteit hakselen, dus plant en kolven. Wordt in een grote berg samengebracht en met een zware tractor vastgereden en luchtdicht afgedekt met zwaar plastiek. Zolang er geen lucht bij kan komen gaat het niet rotten, en wordt het op de grote veebedrijven aan het vee gevoerd. Het grootste probleem zijn de kraaien, zij steken met hun zware snavel door de plastiek en dan komt er wel lucht bij, met alle gevolgen van dien. De veehouders maken met de akkerbouwers akkoorden om op hun percelen maïs te mogen en kunnen verbouwen. Ook het gras bij de veebedrijven wordt niet meer als hooi aan het vee gevoerd maar als kuilgras. Het gras wordt als het weer een beetje meewerkt in een paar dagen ingekuild. De eerste dag wordt het gemaaid en verschillende keren opgeschud met grote schudders. De tweede dag in de wagens geblazen en in een kuil vastgereden net als bij de maïs, en afgedekt met zwaar plastiek. Een andere methode is na het maaien en het schudden, oprapen en in grote rollen persen en inwikkelen met de zelfde plastiek. Daarvoor wordt een zware pers gebruikt die beide handelingen uitvoert. Wanneer de rol luchtdicht blijft is het van de zelfde kwaliteit als het voer uit de kuil.

Werkzaamheden eerste helft twintigste eeuw in de landbouw

In de eerste vijfentwintig jaar van die eeuw was alles nog handwerk. Het graan werd met de vlegel gedorsenen daarna van het kaf schoongemaakt door een windmolen. Een moest er aan draaien en de ander moest het ongeschoonde graan erin scheppen. Het geschoonde graan van de vloer opscheppen met de graanschop, die van hout gemaakt was. Het kaf, of naar de kafzolder voor veevoer, of naar buiten om later te verbranden, een eind van de gebouwen vandaan. Wanneer het niet meer vroor was het tijd eind februari om kunstmest te gaan strooien, kali speciaal voor de bieten en aardappels. Dat waren zakken van honderd kg, met de hand uitstrooien een blikken zaaibak voor de buik gevuld met vijfentwintig kg kunstmest en dan door het ongelijke land lopen. Heel sterken maak ten de zak in drie keer leeg, dus nog zwaarder.

Tegen het voorjaar was het dorsen in de schuur klaar en ging men in het koolzaad en de wintertarwe kappen om het onkruid de baas te blijven.
Na 1915/1920 was het koolzaad uit het bouwplan verdwenen en kwam de suikerbiet daarvoor in de plaats.

In de maanden april/mei werd er in de voorjaarsgewassen gekapt, zoals gerst, erwten en de bieten. Half mei was het dan tijd om de bieten te dunnen, voor de meesten op de knieën, enkelen konden heel de dag gebukt lopen. Alles aan het lichaam deed pijn, maar het meest de handen en de knieën. Werd ook veel gedaan door vrouwen en grote schooljeugd, om een centje bij te verdienen. .Je had ze dan wel verdiend! Zodra de bieten en de bruine bonen waren gekapt, dus onkruidvrij, moesten begin juni de slootkanten en greppels gemaaid worden met de zeis. Wanneer dat gras droog was voor hooi werd dat op de rug uit de sloten gedragen, je kon natuurlijk niet met een wagen door de grote gewassen rijden. Het werd binnengereden in de schuur en in de winter aan het vee gevoerd.
Eind juni was het koolzaad rijp, en werd met de sikkel afgesneden en op randen gelegd, niet op een schoof gebonden. Het werd op het land met de vlegel gedorsen dus niet naar de schuur gehaald. Op het koolzaaddorsen kom ik later nog terug. Half juli waren de erwten en het graan rijp om te oogsten. De erwten werden met de zicht of een zeis gemaaid, bleven op de grond liggen om te drogen, wat bij veel regen behoorlijke schade veroorzaakte. ln de jaren 1930 kwamen ze op de ruiter te staan daardoor veel minder regen schade aan de erwten.

Voor 1925 werd alle graan met de sikkel en de zicht gemaaid en op schoven gebonden. De band om de schoven te binden was van het gewas zelf. Dan op stuiken gezet, tien schoven twee aan twee tegen elkaar. Bij veel regen ging het graan in de stuik "schieten" korrels bleven lang nat en ontkiemden, het graan was dan veel minder waard. ledere boer probeerde zo spoedig mogelijk wat tarwe binnen te halen om zelf goed brood te kunnen bakken.
Het vlas werd op de zelfde manier geoogst, alleen dat kon je niet maaien maar uit de grond getrokken met handkracht. Dan in de stuik en later in een schelf gezet. Bij het vIas waren het geen schoven maar"schrangen" genoemd. ln de schelf zaten ongeveer veertig schrangen in bewaard met een kapje er overheen. Maar wanneer het graan en erwten droog genoeg waren werden ze naar binnen gemend en tot in de nok van de schuur opgestapeld. Dat gebeurde ook alweer met mankracht in hoge schuren soms wel tien meter hoog.

Vijftien augustus was een kerkelijke hoogtijdag voor de katholieken, dan werd er niet gewerkt. In het land van Hulst werd die dag "half oest" genoemd. Bij veel slecht weer was men soms nog niet zo ver, maar bij een mooie zomer was soms alles al binnengehaald. Men probeerde zoveel mogelijk ook in augustus nog de aardappels te rooien, de scholen hadden dan nog vakantie in die maand. Ze werden dan ook ingeschakeld om aardappels te komen rapen.
Begin september waren de bruine bonen rijp, ze moesten met de hand getrokken worden en op het land verder drogen. In die zelfde tijd werd ook de mestput leeggehaald en op het land verspreid. Die werd een vol jaar in de mestput bewaard van al het vee, paarden, koeien, varkens en kippen. Begin oktober tot half november werden de suikerbieten gerooid en afgevoerd naar de losplaatsen. Ook de voederbieten voor het vee werden dan gerooid en in een bietenkelder of buiten in de zeug bewaard. In die zelfde tijd werd ook alweer aan de volgende oogst gewerkt, namelijk het zaaien van de wintertarwe. Als alle werk eind november buiten klaar was, trok men weer de schuur in en begon het dorsen weer tot bijna in maart.

In het tweede kwart van deze eeuw kwam de mechanisatie langzaam op gang. Begon met een kleine dorsmachine dan een wat grotere. Rond 1940 kwamen de loonwerkers met grote dorsmachines en stropersen. Maar ook bij het oogsten van het graan en de aardappels kwam de machine het zware handwerk in de landbouw verlichten. Vanaf 1950 tot 1980 heeft de mechanisatie de landbouw dit totaal veranderd, van een intensieve werkgelegenheid tot kapitaal intensief bedrijf. Waren er vroeger veel mensen op de boerderijen, nu is de boer alleen met rondom hem een kapitaal aan grote machines.
Persoonlijk denk ik dat er geen eeuw te vinden is in het verleden, dat er zulke geweldige en ingrijpende veranderingen gebeurd zijn. Niet alleen in de landbouw, maar ook in het maatschappelijke leven van de mensen.